Geschiedenis van de Vrije Universiteit

De Vrije Universiteit Amsterdam is geen openbare, maar een bijzondere universiteit en heeft ook een bijzondere geschiedenis.

De grondlegger van de universiteit is Abraham Kuyper, prominent protestant predikant, journalist en politicus. Kuyper geloofde dat het christelijk geloof alle terreinen van het leven moest beslaan: ook de wetenschap. Al in 1870 schreef hij: ‘zal het christendom een zuurdeeg in ons volksleven zijn, dan moet ook de rechter, ook de geneesheer, ook de staatsman, ook de letterkundige, ook de wijsgeer, den inhoud zijner wetenschap door het licht van den Christus laten beschijnen’.

Kuyper vond een bondgenoot in de sociaal bewogen (en succesvol) bierbrouwer Willem Hovy. Bij Hovy thuis vergaderde Kuyper en enkele andere Amsterdamse predikanten over de stichting van een protestantse universiteit. Op 5 december 1878 werd hiertoe een Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag opgericht. Honderdduizend gulden was nodig. Hovy schonk een kwart van het benodigde geld en vele anderen doneerden naar vermogen. De universiteit zag het levenslicht op 20 oktober 1880 – en deze dies natalis wordt jaarlijks gevierd.

De instelling werd gedoopt tot de Vrije Universiteit. In zijn beroemde openingsrede Souvereiniteit in eigen kring lichte Kuyper de naam toe. De universiteit moest vrij zijn van de staat, maar ook van de kerk, beiden hadden zij niet voor te schrijven van wetenschappers hebben te denken.

De geschiedenis van de universiteit is gestempeld door haar christelijke karakter, haar emancipatoire functie voor de protestantse ‘kleine luyden’ en haar maatschappelijke engagement. De universiteit werd lang gefinancierd door een betrokken achterban. Bekend zijn de groene VU-spaarbusjes met een afbeelding van oprichter Abraham Kuyper. Vanaf de jaren dertig van de twintigste eeuw stonden zij in de woonkamer van menig protestants gezin, waar ijverig werd gespaard ter ondersteuning van de universiteit.

De VU bestond aanvankelijk uit slechts drie faculteiten: Godgeleerdheid, Letteren en Rechten. Het aantal onderzoek- studierichtingen groeide in de loop van de tijd: in 1930 werd de Faculteit Exacte Wetenschappen opgericht, in 1948 Economische en Sociale Wetenschappen, in 1950 Geneeskunde, enzovoort. In 2012 heeft ze twaalf faculteiten met bijna 5.000 medewerkers in dienst (die van het VUMC niet meegerekend), bijna 25.000 studenten en ruim 250 promoties per jaar.

De groei veranderde ook het karakter van de universiteit. De achterban kon de kosten steeds moeilijker opbrengen en de overheidssubsidie werd steeds belangrijker. Ook werd de protestantse grondslag rond 1970 ruimer geformuleerd. Het doel van de universiteit was voortaan ‘al haar arbeid in gehoorzaamheid aan het Evangelie van Jezus Christus te richten op het dienen van God en Zijn wereld’. Maar in de loop van de tijd sprak ook deze doelstelling steeds minder studenten en docenten aan.

Toch klinkt de bijzondere identiteit nog op verschillende manieren door. De VU kent een rijke collectie van historische protestantse boekdrukken (Bijzondere Collecties), een bijzondere verzameling archieven van christelijke personen en maatschappelijke organisaties (Historisch Documentatiecentrum), een universiteitspastor en de grootste theologieopleiding van Nederland. Het maatschappelijke engagement klinkt bijvoorbeeld door in een onderwijs voor en dienstverlening aan bestuurders van maatschappelijke organisaties (Master Besturen Maatschappelijke Organisaties, Zijlstra Center) en een Societal Impact Award voor onderzoek ten dienste van de samenleving.

Raadpleeg ook de naslagwerken over de geschiedenis van de VU